TM (Tyre Monitor)*1

Het TM (Tyre Monitor)-systeem bepaalt aan de hand van de draaisnelheid van de banden of de bandenspanning in orde is. Bij een te geringe spanning verandert de diameter en daarmee ook de draaisnelheid van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te gering is.

Meldingen

Bij een te lage bandenspanning gaat het waarschuwingslampje (P1 USA 820 TPMS symbol (small)) op het instrumentenpaneel branden en verschijnt een van de volgende meldingen:

  • Bandenspanning laag Controleer band rechtsvoor
  • Bandenspanning laag Controleer band linksvoor
  • Bandenspanning laag Controleer band rechtsachter
  • Bandenspanning laag Controleer band linksachter
  • Bandenspanning laag Controleer banden
  • Bandensp.systeem Service vereist

 Belangrijk

Als er een storing optreedt in het TM, gaat het waarschuwingslampje P1 USA 820 TPMS symbol (small) op het instrumentenpaneel eerst ca. 1 minuut lang knipperen waarna het continu blijft branden. Er verschijnt tevens een melding op het instrumentenpaneel.

Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen.

TM herkalibreren

TM kan alleen correct werken, wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is vastgesteld. Dit moet na iedere bandenwissel of wijziging in de bandenspanning gebeuren.

Herkalibreren

U verricht instellingen met de knoppen op de middenconsole, zie MY CAR.
Schakel het contact uit.
Pomp de band(en) op tot de gewenste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker die op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) zit en kies de sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen.
Kies het menusysteem MY CAR om de menu’s voor bandenspanningscontrole te openen.
Kies Bandenspanning kalibreren en druk op OK.
Start de auto en maak een rit.
Tijdens de rit vindt de herkalibratie plaats die op ieder gewenst moment kan worden afgebroken. Wordt de motor afgezet tijdens een lopende herkalibratie, wordt deze tijdens een volgende rit voortgezet.

Het TM is daarmee geherkalibreerd waarna de nieuwe referentiewaarde van kracht is, totdat u de stappen 1–5 herhaalt.

 N.b.

Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel of aanpassing van de bandenspanning moet herprogrammeren. Als er geen nieuwe referentiewaarden worden opgeslagen, kan het systeem niet goed werken.

 N.b.

  • Na het oppompen van een band moet u altijd het ventieldopje terugzetten om schade aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen.
  • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien.

Status systeem en banden

De status van het systeem en de banden zijn te controleren, zie MY CAR.
Kies het menusysteem MY CAR om de menu’s voor bandenspanningscontrole te openen.
Kies Bandmonitoring.

De status wordt voor alle banden afzonderlijk aangegeven met een bepaalde kleur:

  • Alle wielen groen: het systeem werkt naar behoren en voor alle banden ligt de actuele bandenspanning iets boven het aanbevolen niveau.
  • Eén oranje wiel: de bandenspanning van het desbetreffende wiel is te gering.
  • Alle wielen oranje: de bandenspanning van twee of meer wielen is te gering.
  • Alle wielen grijs: het systeem is op dit moment niet beschikbaar. Om het systeem weer te activeren moet u mogelijk enkele minuten in de auto rijden op een snelheid hoger dan 30 km/h.
  • Alle wielen grijs in combinatie met de melding Bandensp.systeem Service vereist: er is een storing opgetreden in het systeem. Neem contact op met een Volvo-dealer of -werkplaats.

Waarschuwingsmeldingen verwijderen

Als er een bandenspanningsmelding is verschenen en het waarschuwingslampje voor TM brandt:

Controleer met een manometer de bandenspanning in de aangegeven band(en).
Pomp de band(en) op tot de juiste spanning zoals aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier).
Herkalibreer het TM-systeem.

 N.b.

  • Het TM hanteert een zogeheten spanningswaarde die gecorrigeerd is op basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de bandenspanning iets kan afwijken van de aanbevolen spanningswaarden die staan aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier). Het is mogelijk dat u de banden tot een iets hogere waarde moet oppompen om de melding voor een lage bandenspanning te laten verdwijnen.
  • Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op.

 Waarschuwing

  • Een verkeerde bandenspanning kan tot bandenpech leiden, waarbij u de controle over de auto kunt verliezen.
  • Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
  1. * Optie/accessoire.
  2. 1 Standaard op bepaalde markten.